Tekstvak: Leren programmeren 
met S7-software
 

 

 

 

 

 

 

 

 


IVAN MAESEN

1 Een nieuw project maken

Om een nieuw project (PLC-programma) te maken, moet je eerst een map aanmaken waar je het project zult in opslaan.

1.1                     Een oefeningenmap maken

Start Windows.

Maak een map die als titel de naam van je klas draagt.

Dat kan je bijvoorbeeld doen via da verkenner.  De verkenner open je via “Start”à “Programma’s”.

 

 

1 In de verkenner klik je  op “Lokaal station  C”.

2 Klik dan in de menubalk op “Bestand”

3 Kies dan in het Pull downmenu “Nieuw”

4 Klik dan op “Map”

5 Wijzig in het rechtervenster de naam Nieuwe Map in de naam   van je klas, bijvoorbeeld “6 ET

 

1.2                     Een nieuwe S7-map maken

Ga naar het bureaublad.

Klik twee keer met de LMK (Linker Muis Knop) op het SIEMENS

S7-icoontje,de SIMATIC Manager verschijnt.

Je kunt ook via de  startknop de SIMATIC Manager oproepen.

De SIMATIC manager verschijnt op je scherm.

 

 

Klik op het icoontje /“New Project/Library “ onder FILE   (Het scherm dat verschijnt, zie je hieronder.

In het venster “New” Klik je op “Browse” (Bladeren).

 

 

Er verschijnt weer een nieuw scherm, waar je kunt aangeven waar je het PLC-programma wilt opslaan.

 

 

Klik de map aan waar je de oefening wilt in opslaan.  In dit voorbeeld: de map  6ET.

In het volgend scherm type je de naam die je aan je programma wilt geven. 

Je neemt nu als naam: VOORBEELD 1.

Daarna klik je op OK.

 

Als je echt  praktijkoefeningen maakt, kies je de nummer van die oefening.  Bijvoorbeeld :

Oef. Z1

 

 

Als je bij het openen van de nieuwe map (VOORBEELD 1) op OK geklikt hebt, komt er een venster bij.

  1. Je klikt de in het linkerdeel van het venster de map VOORBEELD 1 aan.

2.      Open het  pulldown-menu Insert  op de menubalk.

3.      Markeer Program

4.      Vervolgens klik je op: 1 S7 Program

 

 

In de map “VOORBEELD 1” is er nu een map “S7-program” bijgekomen.

  1. Navigeer in de map VOORBEELD 1 naar Blocks.

2.      Open het  pulldown-menu Insert  op de menubalk.

3.      Markeer S7 Block

4.      Vervolgens klik je op: 3 Function

 

 

In de SIMATIC Manager verschijnt een nieuw venster: “Properties -Function” (Properites = Eigenschappen).

Bij het invulluik van Name is reeds FC1 ingevuld.  Dit verander je voorlopig niet.

Bij Language stel je LAD in.

 

 

FC1
FC is de afkorting van “Function” en 1 is het volgnummer.  In een FC maak je eenvoudige programma’s.  Ze kunnen niet gekoppeld worden aan databouwstenen (DB), ze hebben geen geheugen.

 

LAD
Een ladderdiagram (LAD) is een programmeertaal die zeer veel gelijkenis vertoont met relaisschema’s.  Je maakt gebruik van genormaliseerde tekenkundige symbolen.

STL
De “Statement list is een programmeertaal, een soort machinetaal die gebaseerd is op Boleaanse Algebra, ze maakt gebruik van logische functies zoals AND, OR,, NOT…

 

FBD
Een programmeertaal met de symbolen uit de digitale technieken (EN, OF- poorten e.d.).

KLik hier voor info over soorten PLC-talen

 

Klik vervolgens op “OK” om het venster: “Properties - Function” af te sluiten

De SIMATIC Manager is terug volledig zichtbaar.  Je ziet in het rechter venster dat de map uitgebreid is met het bestand FC1.

 

 

Open het FC1 bestand door bijvoorbeeld 2 x op het icoontje van FC1 (LMK) te klikken.

 

Het programma “LAD/STL/FBD….”   verschijnt.  De hoofding van het venster kan anders zijn, dit hangt af van de versie van het software-pakket.

 

In de volgende figuur is er op de plaats waar de vraagtekens staan uitleg geschreven.  Wens je een titel of commentaar bij het FC1-programma te schrijven dan moet je met de muis klikken op de bijhorende vraagtekens.  Wil je nergens een titel of commentaar vermelden dan laat je de vraagtekens staan en klik je op de plaats waar je het FC1-programma moet schrijven.  Dit is de ruimte onder de commentaarkader van netwerk 1.

 

Netwerken
Om een programma overzichtelijk te maken, en om vlot je programma in een andere taal (STL of LAD) te kunnen transformeren deel je het programma op in verschillende netwerken.

 


 


Met de muis klik je telkens de plaats aan waar je een LAD-symbool wilt plaatsen.

De symbolen die je wenst te plaatsen klik je in de werkbalk, het zijn de omcirkelde pictogrammen in de vorige figuur.

1: Een nieuw netwerk beginnen

 

2: Bibliotheek openen voor speciale functies

     zoals timers, counters e.d.

 

3:  Element (bv. Een ingang) afvragen op

     logische toestand « 1 « 

 

4:  Element (bv. Een ingang) afvragen op

     logische toestand « 0 « 

 

5: Een uitgang

 

6: Openen van een vertakking

 

7: Sluiten van een vertakking

 
 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 


Klik de vraagtekens aan en geef de adressen in.

 


 


Als je verkeerde adressen ingegeven hebt, zal het S7-programma die cursief en rood op het scherm aanduiden.

Je eerste programma is af.

 

Uitleg over dit PLC-programma
Als de status of de toestand van  ingang I 124.0  logisch “1” wordt, dit gebeurt als de schakelaar die je op ingang I 124.0 aansluit, gesloten wordt,  dan zal de uitgang Q 124.0 ook “1” worden.  Een verbruiker die aangesloten is op die uitgang zal dan inschakelen.

 

Door op het icoontje “Save” < van de standaard werkbalk te drukken bewaar je het programma op de diskette of op de harde schijf.  De keuze van diskette of harde schijf heb je vroeger gemaakt ,zie “1.1 Een nieuwe map aanmaken”.


 


Wat je nu verder moet doen leer je in volgend deel “1.3 Programmeren van OB1”

1.3                     Programmeren van OB1

OB1
OB staat voor organisatiebouwsteen.
Gestructureerde programma’s bestaan uit verschillende delen, die je bouwstenen noemt.  Bouwstenen kunnen verschillende functies hebben.  Al naargelang hun functies hebben ze een andere naam.  (DB’s: databouwsteen, om gegevens in te bewaren, FC’s  om programma’s zonder geheugen te schrijven,…). 
In organisatiebouwsteen 1 (OB1) deel je  de PLC mee hoe die verschillende bouwstenen met elkaar in verband staan.  Je kan hier alleen maar de organisatiebouwsteen met nummer 1 (OB1) voor gebruiken!  Er zijn nog andere organisatiebouwstenen, ze hebben een ander nummer en hebben een andere functie. Die gebruiken we voorlopig niet.

 

Open de simatic Manager.

Indien je het S7-programmaal hebt afgesloten moet je het project (VOORBEELD 1) terug openen.  Hoe je dit doet,vind je in hoofdstuk 2 “Een bestaand project oproepen”.

 

In het linker venster open je de map blocks.  In het rechtervenster  open je OB1 door 2 maal op het pictogram van OB1 te klikken of door 1 maal te klikken en met de rechter muisknop het snelmenu op te roepen waar je de opdracht Open Object aanklikt.

 

 

Het venster “Properties – Organization block” verschijnt. 

In het invulveld Name staat reeds de naam OB1.

In het keuzeveld “Created in Language: “ kies je LAD of STL.

 

Er verschijnt een venster dat bijna volledig hetzelfde is als bij de programmatie van FC1.  Alleen de titels zijn anders.  Er is ook weer plaats voorzien voor titels en commentaar.  Daar schrijven we niets. 

 

Als je gekozen hebt voor programmatie in STL typ je op de juiste plaats in het venster “CALL FC1”. 

               Zie de tekening op het volgend bladzijde.

Als de tekst die je getypt hebt in het rood op het scherm verschijnt is er een fout.  Misschien heb je een typfout gemaakt, of misschien bestaat het programma FC1 niet .

 

CALL FC1
Deze programmaregel is geschreven in de programmeertaal STL (Statement List).  Hij zegt de PLC het programma FC1 onmiddellijk en zonder voorwaarden te laten werken

 


 


Als je gekozen hebt voor programmatie in LAD doe je het volgende:

  1. Klik op de horizontale lijn.
  2. Open de bibliotheek
  3. Open de map FC Blocks
  4. Klik twee maal op FC1 of sleep FC naar de horizontale lijn..

 

 

Zo ziet het er dan uit:

 

 

Vergeet je OB1-programma niet te bewaren.  Klik op het icoontje “Save” < van de standaard werkbalk.

 

In een volgende stap moet je programma “VOORBEELD 1”in de PLC brengen.  Hoe je dit doet leer je in  3 Een PLC-programma in de PLC laden

2 Een bestaand project oproepen

  1. In de SIMATIC Manager  klik je op het icoontje 1 van de standaard werkbalk.
  2. Er opent een nieuw venster “Open project”
  3. Klikt op de naam van het programma dat je wilt openen.
  4. Als je naam niet in het venster “Open” staat, klik je op “Browse”.  Via een verkenner kun je dan het gewenste programma zoeken

 

 

3 Een PLC-programma in de PLC laden

Het programma VOORBEELD 1 dat je hiervoor gemaakt hebt, bevindt zich op de harde schijf (of op een diskette).  Het bevindt zich nog niet in de PLC, zelfs al is de PLC via een interface met de PC gekoppeld.  Je moet het programma nog in je PLC laden (uploaden).

 

  1. Open in de SIMATIC Manager je project, bv. “VOORBEELD 1”.  Het venster “VOORBEELD 1” verschijnt.
  2. Open de map “Blocks”
  3. Markeer in het rechtervenster al de programmablokken die je in de PLC wilt laden.  Dit kan je doen door bijvoorbeeld met de LMK over beide icoontjes van OB1 en FC1 te slepen.
  4. Klik op de knop “Downloaden”,dit is  het icoontje met de PLC en de gele pijl.
  5. Let op, de sleutelschakelaar van de PLC moet wel in de stand “STOP” of “RUN-P” staan!

 

 

Je krijgt waarschijnlijk verschillende meldingen dat de programmablokken reeds bestaan:

 

 

Je klikt dan op Yes, want je wilt je nieuw programma over het oude programma schrijven.

4 Een PLC-programma testen

Nadat je de programmablokken in de PLC hebt geladen kun je rechtstreeks op de PLC het programma testen.

De sleutelschakelaar van de PLC moet dan in de stand “RUN” of “RUN-P” staan.

 

Je kunt de werking van het programma volgen op het scherm van de PC.

Je gaat als volgt te werk:

  1. Open de programmablok waarvan je de werking wilt volgen op de PC.  Dit doe je door op het icoontje van de programmablok (bijv. FC1) in het rechtervensterdeel van de simatic manager te klikken

 

 

  1. Open het pulldownmenu Debug of klik op het icoontje $ in de functiebalk (4)
  2. Klik op Monitor.

 

 

 

Als alles correct is, verandert de lay-out van je ladderdiagram.

 

 

 

KLik hier voor info over STATUS

KLik hier voor info over het afvragen van de STATUS en RLO

5 De CPU wissen

5.1                     Hardwarematig wissen

  1. Plaats de modischakelaar (lichtblauwe sleutelschakelaar) in de STOP-stand.
  2. Draai naar de stand MRES,  de oranje STOP-LED knippert nu traag.
  3. Als de oranje LED blijft branden, draai je de schakelaar terug naar de STOP-stand.
  4. Draai de schakelaar onmiddellijk terug naar MRES, de oranje LED knippert snel.
  5. Als de oranje LED terug traag knipper, is de CPU gewist en kan je de modischakelaar in de gewenste stand plaatsen.

Opmerking: De systeembouwstenen (SFC’s en SFB’s ) worden niet gewist.

 

5.2                     Softwarematig wissen

Open de Simatic Manager (je hoeft geen project te openen)

  1. Roep  Accessible Nodes” op door op de knop in de Functiebalk te klikken.
  2. Open de map “Accessible Nodes
  3. Klik op “ MPI = 2 (direct) “

Op de functiebalk zie je dat je ON-line bent. Je hebt een verbinding met de PC gemaakt.

 

 

  1. Open het menu PLC.
  2. Klik op “Cleat/reset”.  De modischakelaar moet in de stand STOP staan.

 

 

Controleer of de PLC gewist is door in het linkervenster van Accessible Nodes op Blocks te klikken.

In het rechtervenster verschijnen de bouwstenen die nog in de PLC aanwezig zijn.  Dit zijn alleen de systeembouwstenen SFC en SFB.  De blokken van je programma OB1 en FC1 zijn verdwenen.

 

 

6 Programmeren in Ladderdiagram (LAD)

KLik hier voor info over soorten PLC-talen

6.1                     Programmeren van een RS-geheugen

KLik hier voor info over SR-geheugens

 

Maak een nieuw project aan zoals beschreven in deel  1 Een nieuw project maken”.  De naam van het project is VOORBEELD 2. 

Je  wilt een RS-geheugen  (RESET/SET-Flip Flop) programmeren.

 

RS-FF
Een RS-FF is een bistabiel element dat je kan vergelijken met een bistabiel relais.  Een Positieve puls aan de Set-ingang zorgt ervoor dat de uitgang van de RS/FF hoog wordt.  Die uitgang blijft hoog totdat er een positieve puls aan de Reset-ingng komt.
Een RS-FF heeft Set prioriteit, een SR-FF heeft Reset prioriteit.

 

Je gaat als volgt te werk.

  1. Klik op de plaats waar je het element (RS/FF) wilt Plaatsen.
  2. Klik in de taakbalk op het icoontje van de elementencatalogus (Instruction Browser).  Die knop wordt aangeduid met “LAD element (F11)”  Je kan dus ook functietoets F11 indrukken.
  3. Klik in de catalogus op het kruisje van de functiegroep (Bitlogic)die je wilt openen.
  4. Zoek met de schuifknoppen het element.
  5. Indien nodig roep je de Help-functie op om uitleg over de elementen te krijgen.
  6. Klik het gewenste element aan (blauwe achtergrond).
  7. Klik op OK.

8.      Sluit de “Instruction Browser af

 


 


Het symbool verschijnt op de aangeduide plaats.

 


 


De vraagtekens klik je aan om het adres in te vullen.  Je kan een uitgang nemen (bv. Q 124.0) of een geheugen (bv. M 100.0; M komt van memory of merker).

 

Op de volgende figuur zie je het ladderdiagram met de adressen.  De ingangen plaats je achteraf gemakkelijk er bij.


 


Veelgebruikte functies (FF, Counter, timer) kan je ook via het menu Insert oproepen.

 


 


6.2                     Programmeren van een Timer

KLik hier voor info over Tijdfuncties

 

Open de elementencatalogus (Instruction Browser).  Klik op het kruisje van Timers, kies één van de vijf timers en duw op OK.

 

Soorten timers
S PULSE:  impulstimer (SI-timer),
S PEXT: Extended Puls Timer; verlengde impuls (SV-timer),
S ODT:  On Delay Timer, inschakelvertraging (SE-timer),
S ODTS:  Retentive On Delay Timer, inschakelvertraging met geheugen (SS-timer),
S OFFDT:  Off-Delay Timer, uitschakelvertraging (SA-timer).

 


 


De gekozen timer verschijnt in het ladderdiagram.

 


 


In de volgende figuur zie je de timer met ingevulde adressen en parameters.

 


 


TV
Time value, tijdwaarde
Na de aanduiding S5T# schrijf  je de tijd.  Je kan gebruik maken van de eenheden uur (h), minuten (m), seconden (s) en miliseconden (ms).

 

BI
De tijdwaarde wordt in binaire vorm (integer) naar de gekoppelde operand gestuurd.  In  dit voorbeeld naar geheugenwoord 10 (Memory Word).

BCD
De tijdwaarde wordt in BCD-code naar de gekoppelde operand gestuurd.  In dit voorbeeld uitgangswoord 0 .

6.3                     Programmeren van een counter (teller)

KLik hier voor info over Tellers

 

Je gaat op dezelfde wijze te werk als bij een timer.  Je hebt dus twee mogelijkheden.  Je kan een teller oproepen via de elementencatalogus (Instruction Browser).  Een snellere methode is via de menuknop Insert.

 


 


Je kiest bijvoorbeeld een Up/Down counter.

 


 


Volgende figuur toont het ingevulde ladderdiagram van de Up/Down Counter.

 

PV
Preset Value, voorinstelwaarde van de counter.  Als de bijhorende ingang een positieve flank krijgt, wordt de telinhoud op die waarde geset.  De PV-waarde kan een getal van 1 tot 999 zijn en kan ook met bijvoorbeeld een Memroy Word (MW) of een Data Word (DW) ingelezen worden.

 


 


6.4                     Wissen, tussenvoegen en vervangen van operanden en elementen

Klik de operand die je wil veranderen met de linkermuisknop aan.  De achtergrond wordt donkerblauw.  Met de linkermuisknop zet je de cursor op de gewenste plaats.

 


 


Zoals bij een tekstverwerker onder Windows kan je  operanden aanpassen.   Met de Deletetoets of met de backslash (ç) wis je een karakter en typ je de juiste karakters.

 

Als je elementen wil wissen of vervangen klik je ze eerst aan met de linker muisknop (blauw-grijze achtergrond). 

-Druk op de Deletetoets om het element met zijn operand te verwijderen.

-Om een verkeerd element te vervangen druk je op de insert-toets van je klavier en duidt met de muis het
     juiste element in de taakbalk aan

               - Druk je niet op de insert-toets dan wordt het nieuwe element er bij geplaatst.

 


 


Om een element tussen te voegen markeer je de plaats waar je het nieuwe element wilt plaatsen (Voorbeeld 1).  Indien er geen plaats is tussen twee elementen klik je op het element dat er juist voor staat (voorbeeld 2).  De plaats wordt gemarkeerd met een blauw-grijze kleur.

Vervolgens klik je het element aan in de werkbalk en typ het adres erbij.

 

  Voorbeeld 1  11

 

 Voorbeeld 2

 
 

 

 


 

 



 

6.5                     Netwerk wissen

Je markeert  het netwerk .

 


 


Druk dan op de Delete-toets.

Netwerk 3 heeft de plaats ingenomen van netwerk 2.

 


 


6.6                     Een netwerk invoegen

 


 


7 Programmeren van een instructielijst of statementlist (IL of STL)

KLik hier voor info over soorten PLC-talen

7.1                     Programmeren van een EN-functie met commentaar

KLik hier voor info over Basisfuncties

Als je rechtstreeks je programma in een statementlist (STL of IL) wilt schrijven, ga je op dezelfde wijze tewerk als bij een ladderdiagram.

Samengevat:                       - in de SIMATIC Manager definieer je eventueel de hardware.

                                            - insert in AP-off een S7 Block, bijvoorbeeld een FC1.

- Open FC1

Het ladderdiagram van VOORBEELD 1 ga je nu ingeven in STL.  Je doet dit in VOORBEELD 3.

 


 

 


 


In het scherm Properties  moet bij  Language STL staan.  Zo nodig klik je op q

 


 


Klik op OK.

De SIMATIC Manager  is terug volledig zichtbaar.  Open opnieuw FC1.

 

Zoals bij een ladderdiagram kan je een bouwsteentitel, netwerktitels, bouwsteencommentaar en netwerkcommentaar invullen.  Bij een instructielijst kun je bovendien bij elke regel commentaar schrijven.  Na het adres typ  je twee slashen  “//”waarna je het commentaar schrijft.  Als je commentaarregel af is druk je op de ENTER-toets

 


 


7.2                     Programmeren van een RS-geheugen

KLik hier voor info over SR-geheugens

 


 


Als je de instructielijst achteraf wilt zien in een ladderdiagram moet je al de in- en uitgangen die je bij een logische functie (FF, timer, counter e.d.) niet gebruikt, opvullen met NOP 0

De uitgang van de FF is niet gebruikt, daarom best opvullen met NOP 0

 
 


Hierboven zie je de instructielijst van  een RS-geheugen.  Er is set-prioritet.  Wens je een RS-geheugen met reset-prioriteit, dus een SR-gehegen dan moet je de reset-functie na de set-functie ingeven:

 

 


 


7.3                     Programmeren van een timer

KLik hier voor info over Tijdfuncties

 

Hieronder zie je het instructielijst van een pulstimer.

 


 


Als je de timer achteraf in een ladderdigram wilt bekijken, moet je de volgorde van de verschillende programmaregels respecteren en moet je in- en uitgangen die je niet gebruikt opvullen met NOP 0.

 


 


7.4                     Programmeren van een counter

KLik hier voor info over Tellers

 

Hieronder zie je het programma van een opteller (Upcounter)

 


 


Op de derde regel zie je “BLD 101” staan.  Dit geeft aan dat het een teller is in één richting, dat betekent dat je ofwel alleen maar kan optellen of alleen maar kan aftellen met de teller.  Het is dus geen Up/Down-teller.  Wil je achteraf je instructielijst in een ladderdiagram omzetten dan moet je bij een opteller (UC) of bij een afteller (DC) op de derde regel BLD 101 schrijven.

 

Als je bij de derde regel NOP 0 schrijft i.p.v. BLD 101 dan krijg je een Up/Down-teller zonder aftelingang.

7.5                     Wissen van een karakter

Ga met je cursor voor de karakters staan die je wilt wissen.  Druk zoveel keer op de Delete-toets als je karakters wilt wissen.

7.6                     Wissen van regels

 


Als je één of verschillende achtereenvolgende regels wilt wissen, markeer je die regel(s) door met de muiscursor te slepen over de regel(s) en je drukt op de Delete-toets.  De gemarkeerde regels krijgen een blauw-grijze achtergrond.

 


7.7                     Invoegen van regels

Het editeren van je intructielijst vertoont zeer veel gelijkenis met een tekstverwerker onder Windows.

Als je een regel wilt invoegen moet je eerst plaats maken.  Je plaatst de cursor achter de regel waar je wilt invoegen.  Druk dan op ENTER.  Er is nu plaats vrijgekomen voor een nieuwe regel te typen

 

               A   I 124.0                cursor plaatsen  en                   A   I124.0                                     A   I124.0

               =   Q124.0                op ENTER drukken                                            Nieuwe regel         A   I124.1

                                                                                          =    Q124.0          typen                   =   Q124.0

7.8                     Invoegen en wissen van een netwerk

Dit doe je op dezelfde wijze als bij een LAD schema.

 

8 Hardwareconfiguratie of systeemconfiguratie

Opmerking
Je kan ook een PLC-programma ingeven zonder een HW-configuratie te doen

 

Vooraleer je het nieuwe PLC-programma schrijft, deel je mee hoe de PLC waarvoor je het programma zult schrijven, opgebouwd is .

Als de PLC gekoppeld is met de PC kun je automatisch de samenstelling door de PC laten opladen.

Als de PLC niet gekoppeld is moet je zelf de configuratie ingeven.  Het S7-pakket heeft een elektronische catalogus waar je de onderdelen zoals montagerail, voeding, CPU, in- en uitgangseenheden kunt selecteren.

Klik met de linker muisknop op Insert en beweeg met ingeduwde muisknop de pijl naar Hardware en vervolgens naar 2 SIMATIC S7 300-Station.  Je kan ook elk item (InsertHardware – 2 SIMATIC S7-300 Station) 1 x aankikken

 


 


Laat de muisknop los.  Volgend scherm verschijnt.

 


 


Open in het rechtervenster het bestand SIMATIC S7-300 Station.  Je komt in het programma Hardwareconfiguratie waarin zich het binnenvenster bevindt waar je de systeemconfiguratie kan parametreren.

Opdat je de juiste informatie ingeeft, kan je best de elektronische catalogus gebruiken.  Die opene je het gemakkelijkst via de knop.

 

Andere mogelijkheid om de bibliotheek te openen:

 


 


Met de linker muisknop klik je achtereenvolgens View en Catalog  F4  aan.

Rechts in de hoek verschijnt de “Hardware Catalog”.

 

Er zijn drie hoofdstukken zichtbaar.  Door op de kruisjes te klikken kan je verder bladeren in de catalogus.  Klik op het kruisje van SIMATIC 300, vervolgens op het kruisje van RACK 300.  De Mounting Rail sleep je met de linker muisknop  naar de eerste regel (blauw) van het configuratiescherm. 

 


 


De gegevens van de rail komen in het configuratiescherm op de eerste regel (Slot no. 0) te voorschijn.

 


 

 


Om de volgende regels in het configuratiescherm zichtbaar te maken klik je op het kruisje naast de gegevens van de rail, dus na slot nr. 0. 

Blader verder in de catalogus.  PS 300 (PS: Power Supply) open  je niet omdat er op de rail van je configuratie geen voeding staat.  We gebruiken de 24 V-voeding van de labotafels.

Druk wel op het kruisje van CPU 300 om een keuze van de juiste centrale proceseenheid te maken.  Sleep uw keuze naar de rij van slot no 2.  Slot no 1 blijft open omdat die voor de voeding gereserveerd is.

 


 

 


Slot no 3 vullen we ook niet in omdat die gereserveerd is voor een IM-module.  De interfacemodule dient om koppelingen met verschillende rails te maken.

Vanaf Slot no 4 noteer je de ingangs- en uitgangsmodules.  In de catalogus worden verschillende afkortingen gebruikt.  We verklaren de belangrijkste.

 

               DI: Digital Input

               DO: Digital Output

               AI: Analog Input

AO: Analog Output

               DI/DA: modules met zowel ingangen als uitgangen

FM: functiemodules; speciale modules zoals bijvoorbeeld stappenmotormodule, positioneringsmodules 

e.d.

 

Opmerking
De configuratie in deze bundel is niet noodzakelijk dezelfde als die van de PLC-configuratie  waarmee je werkt.  Controleer eerst welke CPU, in- en uitgangseenheden bij jouw PLC gebruikt zijn!

 


 


De ingangs- en uitgangseenheden vind je onder titel SM 300.

 

ç Hier vind je beknopte informatie over het

geselecteerde item

 

 


Als je klaar bent met de parametrering, sla je de gegevens op door op het icoontje “Save” < van de standaard werkbalk te drukken.

 


 


Sluit na het opslaan al de vensters van de Hardwareconfiguratie door op de verschillende “kruisjestoetsen”x bovenaan rechts te drukken.  Je komt terug in de SIMATIC Manager.

 


 


In de map ”VOORBEELD 1” bevindt zich nu een bestand waarin de configuratie van je systeem is vastgelegd.  Het sofwarepakket kan nu zelf controleren of de adressen van de in- en uitgangen die je bij je PLC-programma zult gebruiken correct zijn.

9 Werken met de symbol editor

9.1                     Wat is de symbol editor

Met de symbolen editor kan je in je PLC-programma de operanden (absolute adressen) vervangen door woorden die je zelf kiest.  Je kan dan beter een link leggen tussen het programma en de machine die je moet besturen.

 

In onderstaande figuur zie je een eenvoudig programma.  Links zie je het ladderdiagram met absolute adressen, rechts zie het programma met symbolische adressen.

 


 


De symbolische adressen stockeer je in de Symbol Editor.

9.2                     Programma ingeven met absolute adressen

Je maakt eerst je programma met absolute adressen, zoals je dat hiervoor geleerd hebt.

Je neemt  terug “VOOREELD 1”

9.3                     Oproepen en invullen van de Symbol Editor

Je bevind je in de SIMATIC Manager.

  1. Klik in het linkervenster het S7-programma aan.
  2. Open  het bestand Symbols  (bij oudere versies staat er SY) in het rechter venster.  Je opent dit door twee maal met de linkermuisknop op het icoontje te klikken.

 

 

De Symbol Editor verschijnt.

 

In de volgende figuur zie je hoe je de Symbol Editor invult.

Met de muis klik je in het veld aan waar je wilt typen.  Data Type verschijnt automatisch nadat je Adress hebt ingevuld.  Let wel op dat je dezelfde adressen gebruikt als in je oorspronkelijk LAD of STL programma, anders zal de PC de adressen niet vinden.

De volgorde van invullen speelt geen rol.

 

Je bewaart de symbolenlijst door op < (Save) te klikken en je sluit vervolgens af(x).

Als je nu je programma FC1 terug oproept, zijn de adressen vervangen door hun symbool.

 

 

10 Programmeren met symbolische operanden

10.1                Doel van symbolische operanden.

Symbolische operanden kunnen gebruikt worden als een programmastructuur enkele keren voorkomt in een programma.  Het programma moet dan maar één keer geschreven worden. Zoals bij de symbol editor worden de adressen van in- uitgangen e.d. vervangen door hun symbolen zoals “start” “stop” “pomp1”.

10.2                Werkwijze bij het gebruik van symbolische operanden

Je opent een nieuw project op dezelfde wijze als bij gewone programmering

  1. In het LAD/STL/FBD-venster vul je de velden “Name”, “Type” en “Comment” van de adresseringslijst in.
  2. In het ladderdiagram (of in de instructielijst) vul je bij de in- en uitgangen de namen in die je in de adresseringslijst hebt ingevuld.  Let wel goed op dat je exact dezelfde namen gebruikt als in de adresseringslijst. Voor de namen komt automatisch een hekje te staan.

 

  1. Open in de simatic manager OB1.
  2. Klik op de lijn van het ladderdiagram
  3. Klik tweemaal op  FC1 van  de bibliotheek.
  4. Er verschijnt een blok met de namen van de in- en uitgangen.
  5. Vul de adressen in van de in- en uitgangen die je gebruikt.
  6. In een volgend netwerk kun je weer FC1 toepassen met andere adressen.

 

 

11 Parameters bij profibus instellen

11.1                Samenstelling

De installatie bestaat uit:

-        Siemens PLC met ingebouwde master (CPU 313C – 2 DP)

-        Siemens  slave (ET 200L).

11.2                Aanmaken van de map (project)

Maak een nieuw project aan. Kies als naam: Profi1

Voeg  in de map Profi1 een SIMATIC 300 station in (figuur: 1,2,3).

 

11.3                Parameters instellen

-        Hardwareconfiguratie openen

 

-  Rail toevoegen aan de HW-configuratie. Open de map SIMATIC 300 (1) en klik op Rail (2).

 

 

- De voeding voor de PLC toevoegen.  Open de map PS-300 (3) (PS= Power Supply). Als de voeding niet voorkomt in de HW-catalogus neem dan de 2A-voeding (4).

 

 

- Om de Master toe te voegen open je de map CPU-300 (5).  Vervolgens de map CPU 313C-2 DP.  Kies de het CPU-nummer (6).  Het nummer  CPU 313-6CE01-0AB0 vind je niet in de HW-catalogus, je mag het nummer CPU 313-6CE00-0AB0 kiezen. 

 

 

- Na het aanklikken van de master verschijnt het “Properties”-venster.  Je moet hier het adres van de master vastleggen.  Meestal stelt men dit in op 2 (7).  Klik vervolgens op New (8).

 

 

- Open het blad “Network Settings” (9)

 

 

- Controleer of bij Transmissiesnelheid juist is ingesteld op 1,5Mbps.

- Profile moet ingesteld zijn op DP

- Sluit af door op OK te klikken (10).

 

 

-        Om de Profibus-slave toe te voegen, klik je eerst in het HW-config-venster  de bus (11).

-        Open in de hardware catalogus de map PROFIBUS DP (12). Zoek het typenummer van de Siemens-slave (ET 200 L), open die map (13) en kies dan het juiste toestel (14).  Let op dat je een Profibusmodule aanduidt.  Je herkent die modules aan de letters DP.

 

 

- Na het aanklikken van de slave, verschijnt het Properties- venster. Ook bij de slave moet je een adres instellen. Kies 3 (15).  (2 is al gebruikt voor de master).

- Klik op de knop “Properties(16).

 

 

- Zoals bij de master moet je bij Network Settings controleren of de transmissiesnelheid en het Profile juist is ingesteld (17).  Dit moet hetzelfde zijn als bij de master.

- Sluit af door op OK te klikken (18).

 

 

- In het HW-config-venster klik je op tabelrij 1 om de adressen van de uitgangen vast te leggen (19). 

 

 

- Kies een bytenummer.  In dit voorbeeld is 10 gekozen (20).  Vermits de gekozen slave 16 outputs heeft, worden de bytes 10 en 11 toegekend aan de uitgangen. In je PLC-programma zul je de uitgangen Q 10.0 tot en met Q 10.7 en Q 11.0 t.e.m. Q11.7 kunnen gebruiken.

 

 

- Leg op dezelfde manier de adressen van de ingangen vast. Verander het I/O type in Input (21)

- Kies nu als startbyte 20 (22). In je PLC-programma zul je de ingangen I 20.0 tot en met I 20.7 en I 21.0 t.e.m. I 21.7 kunnen gebruiken.

 

- Sluit het venster af. Klik op de knoppenbalk boven aan in het HW-config-scherm op het icoontje Save and Compile (23) .  De instellingen worden bewaard en gelijktijdig wordt gecontroleerd op een aantal fouten.

- Tenslotte moet je de opgeslagen HW-configuratie naar de PLC downloaden (24).  Indien alles correct is zullen de LED’s met aanduiding BF op PLC (master) en op de slave groen oplichten.

 

11.4                 Programma voor een Profibus-installatie

Het programma is juist hetzelfde als voor een installatie met klassieke bedrading.  Je moet enkel rekening houden met de adressen die je hiervoor hebt ingesteld.

Bij de hardwareconfiguratie kozen we:

Q 10.0 tot en met Q 10.7 en Q 11.0 t.e.m. Q11.7

I 20.0 tot en met I 20.7 en I 21.0 t.e.m. I 21.7

 

Voor de installatie die we hiervoor geparametreerd hebben, zou je volgend programma kunnen ingeven:

 

A   I 20.0

=  Q10.0